SCCH
Hoe ontstaat de ziekte?
Het ontstaan van de botaandoening is niet met zekerheid te zeggen. Bij onderzoek
van weefsel is wel naar voren gekomen dat er een ontstekingsachtig beeld
aanwezig is, maar dit berust niet op een ontsteking door
bacteriën. In het beenmerg komen cellen voor die bij zowel acute als bij
chronische ontstekingen gezien worden. Men neemt aan dat deze cellen prikkelende
stoffen afscheiden die aanleiding geven tot de afwijkingen in het bot zelf en
tevens leiden tot de lokale pijnklachten. Waardoor nu werkelijk deze afwijking
wordt veroorzaakt is tot nu toe onbekend.
Ziekteverschijnselen
De ziekte komt meestal voor bij volwassenen, hoewel een enkele keer ook bij
jongere mensen. De meest voorkomende symptomen zijn lokale pijn, roodheid en
zwelling van het borstbeen en de daaraan gehechte sleutelbeenderen. Dit leidt,
behalve tot pijn, ook tot vermindering van de beweeglijkheid van de schouder.
Bij 30% van de patiënten ontstaan ook in de gewrichten zelf afwijkingen.
Hoe wordt de diagnose gesteld?
Om de diagnose te stellen wordt gebruik gemaakt van diverse onderzoeken.
Botscintigrafie
Hiermee wordt de lokalisatie van de botafwijkingen en de mate van botactiviteit
in de aangetaste gebieden gemeten. Dit onderzoek is zeer
gevoelig voor een beginnende of slechts mild toegenomen activiteit van het
botweefsel en is daarom belangrijk voor de vroege vaststelling van de ziekte en van een eventueel
recidief.
CT-scan
Hiermee wordt de structuur van het afwijkende botweefsel, zowel in de weke
delen, als in de omgeving van het bot of de botten, zichtbaar gemaakt.
MRI-scan
Hiermee worden de beenmergafwijkingen zichtbaar gemaakt die vroeg in het
ziekteproces ontstaan. Een beginnende woekering van ontstekingscellen of andere
ontwikkelingen zoals bindweefseling in het merg worden daarmee vroegtijdig
aangetoond.
Ziektebeloop
Het ziektebeeld wordt gekenmerkt door perioden van opvlammingen en perioden
waarin het ziektebeeld tot rust lijkt te zijn gekomen. De klachten lopen meestal
parallel aan de veranderingen zoals die door het onderzoek worden vastgesteld,
maar niet altijd. In tegenstelling tot de ziekte van Paget, ook een betrekkelijk
zeldzame bot-aandoening, kunnen nieuwe afwijkingen ontstaan in de loop van de tijd.
Bij onderzoeken die over langere tijd zijn uitgevoerd bij patiënten, komt naar
voren dat het ziekteproces meestal langzaam progressief is, waarbij de
botafwijkingen leiden tot toenemende vervormingen en daarmee gepaard gaande
secundaire degeneratieve afwijkingen van de gewrichten.
Wat zijn de behandelingsmogelijkheden?
De behandeling heeft tot doel om de pijnklachten zoveel mogelijk te
bestrijden en het ziekteproces te remmen. In het algemeen bestaat de behandeling
in eerste instantie uit de toedoening van ontstekingsremmende middelen, de z.g.
NSAID's. Deze geneesmiddelen remmen het ontstekingsproces en zijn vaak voldoende
voor het onder controle houden van de ziekte. Wanneer echter de
botafwijkingen toenemen en de pijnklachten moeilijk onder controle zijn te
brengen, moeten anderen middelen worden gebruikt. In het verleden zijn hiervoor
antibiotica gebruikt en ook corticosteroïden, röntgenbestraling en
chirugische verwijdering van botweefsel. De resultaten van deze vormen van
behandeling zijn teleurstellend gebleken.
Binnen de afdeling Endocrinologie van het LUMC wordt
sinds de laatste tien jaar de behandeling met behulp van intraveneuze
bisfosfonaten toegepast. Bisfosfonaten zijn geneesmiddelen die effectief zijn
bij de behandeling van verschillende skeletaandoeningen, waarbij de ombouw van
het bot is
toegenomen, zoals de ziekte van Paget. Zoals hierboven uitgelegd, is SCCH een
chronische steriele onsteking van het botweefsel waardoor een verhoogde lokale ombouw
van het bot ontstaat die potentieel behandeld kan worden met bisfosfonaten. Uit onderzoek in het
onderzoekscentrum van het LUMC blijkt dat deze intraveneus toe te dienen
bisfosfonaten (APD, d-APD) in staat zijn om de activiteit van het ziekteproces
te remmen, wat blijkt uit zowel de vermindering van de klachten, als bij diverse
afbeeldende onderzoeken. Momenteel worden patiënten volgens een driemaandelijks
protocol behandeld.
Bekijk hier de door de Vereniging uitgegeven folders over SCCH:
• Folder I (gemaakt voor de Huisartsenbeurs 8 november 2008): Voorzijde Achterzijde
• Folder II Volgt